Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.

Waarom laat God het toe?


door A. E. Wilder-Smith


Inleiding


   ‘Het is me een compleet raadsel’, zei de professor tegen zijn collega, ‘hoe mensen die in andere opzichten zo verstandig zijn ertoe komen te zeggen dat ze geloven in een goede, alwetende, vriendelijke en almachtige God, die volgens hen een persoon is. Dat gaat me werkelijk boven de pet. Want deze mensen - en het zijn er geloof ik niet weinig ook - maken de indruk nogal overtuigd te zijn van hun opvattingen, en ze beelden zich op de een of andere manier in dat ze met die God een persoonlijke relatie hebben. Tot op zekere hoogte kan ik er nog wel inkomen dat ze in zo’n God geloven: wanneer ze een prachtige zonsopgang zien boven de bergen, of een bloeiende orchidee, of kerngezonde mensen. Maar ze moeten toch wel oogkleppen op hebben als ze de andere kant van het plaatje niet zien, de kant die al het mooie tegenspreekt. Wat moet je dan met een kat die een muis besluipt, ermee speelt, het beestje doodmartelt en ten slotte opeet? Is dat leuk en aardig? Wat zeg je tegen de jonge moeder die wegkwijnt door kanker? Haar lichaam ruikt al naar ontbinding vóór ze in het graf ligt! Is dat nu zo mooi? Is dat een blijk van de grote wijsheid en mildheid van haar God, die alles zo gemaakt heeft? En de diepe rouw van de vader, het verdriet van de achtergebleven kinderen? Is dat niet net zo goed een onderdeel van Gods plan als de zonsopgang? Als dat waar is, mag je Hem dan wel ‘goed’ noemen? En dan heb je nog de gruwelijke oorlogshandelingen, zeker in de moderne oorlogsvoering. Denk maar aan de vergaste en de doodgemartelde mensen in de concentratiekampen, van wie velen nog tot Zijn ‘uitverkoren volk’ zouden behoren ook! Waarom heeft een goede, liefdevolle, almachtige God zulke gruwelijkheden toegelaten? Zelfs mensen die zonder God leven, zouden hebben ingegrepen, als ze hadden gekund! Maar hun God liet het intussen jarenlang doorgaan.’
   ‘Kijk nu eens even rond op een ander gebied’, vervolgde de professor, ‘en vertel me wat je denkt van de kwellingen die we om ons heen in de natuur zien. Neem bijvoorbeeld het proces van de malariaoverdracht; het lijkt erop dat daar een zorgvuldig doordacht plan achter zit, dat erop gericht is het als gastheer fungerende dier te kwellen. Voor mij lijkt het allemaal op een bizarre planning zowel van wat goed is, als van wat slecht is voor de mens. Nee, ik kan dat religieuze gedoe niet geloven. Mijn rede en mijn gezonde verstand kunnen dit gewoon niet bevatten. Voor zover ik het begrijp, lijkt het erop dat een God, een Schepper, als Hij al bestaat, tegelijk goed en slecht is. En volgens de menselijke rede is dat natuurlijk onzin. Een almachtige en goede God kan niet gelijktijdig zoveel bewijzen van ogenschijnlijk doordachte, geplande goedheid én zoveel uitgekiende, kille slechtheid in het heelal laten zien. Dat leidt tot intellectueel nihilisme. Zou ook maar iemand kunnen proberen zich zo’n hoger wezen voor te stellen - buitengewoon wijs en goed en tegelijk angstaanjagend wraakzuchtig en slecht, een wezen dat allerlei kwellingen en martelingen uitdenkt voor mens en dier? Dat is toch de zinloosheid ten top? Ook de oude kunstgreep, aan te nemen dat er een duivel is, die de bron van alle kwaad zou zijn, volstaat natuurlijk niet. Als God almachtig en goed zou zijn, schakelde Hij die zogenaamde duivel onmiddellijk uit en zou Hij er niet van beschuldigd kunnen worden de bron van alle kwaad te zijn. En als God niet almachtig zou zijn in relatie tot de duivel, en zijn slechte werken niet zou kunnen verhinderen, dan zou de duivel ook een god zijn. Dan komen we uiteindelijk terecht bij de primitieve ideeën over goden in de hemel die elkaar bestrijden. Zulke ideeën zijn door de intellectuele vooruitgang eeuwen geleden al weerlegd.’
   ‘Vroeger’, vervolgde hij nadrukkelijk, ‘zei ik vaak dat ik agnost was en dat ik dus niets wist over deze dingen. Maar door de jaren heen ben ik tot de overtuiging gekomen dat ik eigenlijk atheïst ben. Ik geloof in geen enkele god, een goede of een slechte. Zo’n geloof levert meer problemen op dan het oplost en het maakt de dingen alleen maar ingewikkelder. Tegenwoordig laat ik deze dingen niet meer toe in mijn gedachten. Ik vind het niet nodig mijn verstand er nog langer door te laten verduisteren. Sterker nog: ik kan me niet voorstellen dat een intelligent, achtenswaardig mens iets anders zou geloven dan ik.’
    Is dit nu niet precies de vraag van veel denkende mensen? Waarom is dit allemaal zo, want als God almachtig is - en als hij God is, moet hij ook almachtig zijn - waarom roept Hij deze chaos dan geen halt toe: alle oorlogen, bedrog, onrecht, en de ellende en ziekte in onze wereld. Het is precies wat een student enkele jaren geleden tegen me zei: ‘Als u wilt dat ik in God geloof, zal Hij toch eerst een betere wereld moeten scheppen.’
Als God ons mensen liefheeft, zoals de Bijbel zegt, waarom laat Hij alle ellende dan niet verdwijnen en brengt Hij alles niet gewoon in orde? Maakt Hij zich niet druk meer om ons? Als Hij ons vergeten is en niet meer voor ons zorgt, waarom zouden wij ons dan nog druk maken om Hem? Als Hij almachtig is, kan Hij alles natuurlijk ineens veranderen. Als Hij niet almachtig is, zou Hij niet langer God zijn. Als het dan zó met Hem gesteld is, waarom zouden we ons dan nog met Hem bezighouden? Juist omdat God het kwaad naast het goede laat voortbestaan, worden zoveel mensen atheïst, zoals bijvoorbeeld mijn vriend de hoogleraar van daarstraks.
   We moeten ons maar niet laten verleiden te denken dat zulke vragen heel modern zijn en dat we zeer vooruitstrevende denkers zijn als we ze stellen. Toen na de zondeval dorens en distels uit de aarde opschoten, konden Adam en Eva gemakkelijk dezelfde vragen stellen. Waarom liet God al deze dingen toe? Houdt Hij niet meer van ons en zorgt Hij niet meer voor ons? Ook Job stelde die vraag, toen het onheil boven hem en zijn gezin losbarstte. Hij is God, en Hij had het kunnen voorkomen als Hij dat gewild had, want Hij moet almachtig zijn omdat Hij God is, en daarom moet Hij het ook kunnen. Wilde God het nog wel? Zorgde Hij nog wel voor Job? Zo niet, waarom zou Job dan nog om Hem geven en Hem dienen? Toegegeven, in het leven van Adam en van Job waren veel dingen die erop wezen dat God nog voor hen zorgde, ondanks de dorens en distels, en ondanks de familierampen. Maar het was allemaal niet zo duidelijk meer. Er waren in hun omgeving evenveel argumenten voor als tegen Gods liefde en zorg. Dezelfde tegenstrijdigheid als nu kwam toen al naar boven. De vraag van toen geldt nu nog: ‘Waarom zou men, ondanks alle steekhoudende argumenten tegen, in een goede God geloven, en Hem vertrouwen?’ Een natuurkundige zei het eens zo tegen me: ‘Waarom is voor God het geloof in Hem zó belangrijk dat Hij het tot de belangrijkste voorwaarde maakt om in zijn Rijk te kunnen komen? Het geloof is immers niets anders dan het resultaat van het jezelf dwingen iets voor waar te houden waarvan het tegendeel blijkbaar al lang bewezen is. Het lijkt erop dat God iets wat tegen onze natuur en ons gezonde verstand indruist zeer hoog waardeert, namelijk de beperking van wat juist een van onze grootste bekwaamheden is: de kunst bewijzen aan te voeren en daarnaar te handelen. Het geloof vertrouwt op iets onzichtbaars, dat wil zeggen: het geloof accepteert een bewijs dat het niet kan leveren.’ Anders gezegd is de vraag van deze natuurkundige dus: waarom zou God het als een voorwaarde voor Zijn bijzondere genade zien dat een mens tegen de bewijzen in geloven moet?
   In aansluiting op onze eerste gedachtengang luidt de vraag: als hetzelfde wezen zowel het goede als het kwade, zowel het mooie als het lelijke toelaat en ontwerpt, kunnen we dan wel serieus over Hem nadenken met het verstand dat wij (nota bene van Hem) ontvangen hebben?
   Laten we voor we verder gaan ons eens afvragen wat de Bijbel over deze dingen zegt. Het eerste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen leert heel duidelijk en zonder ruimte te laten voor andere opvattingen, dat de schepping geen tegenstrijdigheden bevat. Dit bijbelgedeelte geeft ons een unieke, eenduidige voorstelling van God: een majestueuze, almachtige Schepper God, van Wie het heelal voortdurend Zijn lof verkondigt. ‘(…) daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit Zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben’ (Rom. 1:19-20).
   De Bijbel leert dus dat een mens die het heelal ziet en bestudeert, en dan niet de eeuwige macht van de heerlijke God ziet, een mens die het zichtbare waarneemt zonder conclusies te trekken over het onzichtbare, niet te verontschuldigen is. Ja, de Bijbel gaat nog een stap verder. In hetzelfde hoofdstuk (Rom. 1:21) staat van mensen die God kennen door Zijn prachtige schepping en Hem daarvoor niet danken en prijzen - na overweldigd te zijn door de wonderen die de wijsheid van de Schepper openbaren - dat hun overleggingen op niets zijn uitgelopen en dat het duister is geworden in hun onverstandig hart. Met andere woorden: als iemand het universum bekijkt en niet uit zichzelf overloopt van dank en lof aan God, dan verliest die mens op den duur het vermogen om zijn hogere capaciteiten - zoals zijn denkvermogen - goed te gebruiken. Bovendien wordt zijn ‘hart’ verduisterd, dat wil zeggen: zijn moraal raakt afgestompt. Wanneer iemand geen vereerder van God wordt, wordt dat beschouwd als misbruik van zijn denkorgaan en misbruik leidt altijd tot ontaarding van het betreffende orgaan.
   Samenvattend kunnen we zeggen dat de Bijbel weinig sympathie heeft voor de mens die intellectuele problemen (zoals hierboven beschreven) heeft met geloven in God. Volgens de Bijbel zou een blik op het heelal voor ieder mens met een gemiddelde intelligentie genoeg moeten zijn om overtuigd te worden van het bewijs voor het bestaan van God, en het zou ook meer dan genoeg moeten zijn om hem tot een vereerder van God te maken. Dan blijft toch de vraag waarom de Bijbel dit standpunt kiest, terwijl het duidelijk is dat denkende mensen overal ter wereld helemaal geen vereerders van God worden door het heelal te bestuderen. Integendeel: ze stoten op allerlei intellectuele problemen en keren zich van God af. Onderzoek van het zichtbare (Rom. 1:19 - ‘hetgeen van God gekend kan worden’) heeft hun het onzichtbare niet geopenbaard, maar heeft ertoe geleid dat ze zelfs niet meer geloven in het onzichtbare en er daarom van afzien een wezen in de onzichtbare wereld te vereren. Nogmaals: de reden daarvan is dat de zichtbare wereld zoveel tegenstrijdigheden vertoont en zoveel anachronismen , dat het onzichtbare, beoordeeld aan de hand van het zichtbare, belachelijk of overbodig wordt, en niet meer serieus overwogen wordt.
   Daarom wordt christen-zijn in zeer brede kring als ‘intellectueel derderangs’ gezien. Men denkt dat de christen verstandelijk niet in staat is om de tegenstrijdigheden en fouten te begrijpen die deel uitmaken van zijn vrij naïeve en domme geloof.